Kritisch commentaar op de lezing van week 3: Robert Jan Simons, Ivlos Universiteit Utrecht
Op dinsdag 2 oktober 2007 heeft Robert Jan Simons van het Ivlos, het expertisecentrum ICT van de Universiteit Utrecht een gastcollege gegeven. Nadat Simons zichzelf had voorgesteld begon hij met het uiteenzetten van de theorieën die ten grondslag liggen aan reflectiemethoden. Deze drie theorieën luiden als volgt: ten eerste het kritisch maatschappelijk perspectief, waarbij de Zuid-Amerikaanse pedagoog Freire en de Duitse filosoof en socioloog Habermas een belangrijke rol hebben gespeeld. Ten tweede de pragmatische benadering, welke tegenwoordig dominant is in het denken over reflectie, waarbij de Amerikaanse pedagoog Dewey en hoogleraar op het gebied van organisatiepsychologie Argyris een belangrijk aandeel hebben geleverd. Tot slot ging Simons in op de Kantiaanse benadering. Deze laatste benadering is van toepassing op Ivlos en is gebaseerd op het gedachtegoed van Kant en Procee. De relatie tussen de praktijk en de theorie staat hier centraal. Twee soorten modes die hierbij onderscheiden kunnen worden zijn: de ‘belief mode’, waarbij je jezelf de vraag stelt ‘wat is beter?’, ‘hoe kan het beter?’ en ‘wat zijn de voor,- en nadelen? en de ‘design mode’, waarbij de vraag ‘wat betekent het?’ centraal staat.
Na deze theoretische uiteenzetting stelde Simons zichzelf en ons de vraag: ‘Welke rol kan ICT spelen bij de vormen van reflectie?’. Als antwoord hierop presenteerde hij ons twee soorten reflectievormen; het ‘annotatiesysteem’ en ‘virtual action learning’ door middel van het ‘11-val stappen model’, bestaande uit: het competentieprofiel (1), leerarrangementen (2), het verzamelen van informatie (3), het maken van leerproducten (4), de voortgangsbespreking (5), het geven van verbeteringssuggesties op VLC (6), campfire stories (7), het verbeteren van producten in de portfolio (8), de redactie (9), het assessment (10) en de beoordeling (11).
Na de componenten van Judith Hertz te hebben onderstreept in het stappenmodel, poneerde Simons de volgende stelling: ‘Studenten van nu zijn de kenniswerkers van morgen & moeten de competenties van de kenniswerker al in het onderwijs verwerven’. Op deze stelling kwam een matige reactie. Er was een aantal mensen dat het niet eens was met deze stelling en een aantal mensen die vragen stelden over hoe Simons de kenniswerking in de praktijk voor zich zag. Er werd terecht opgemerkt dat een dergelijk systeem als het ’11-val stappen model’ alleen kan worden toegepast als er voldoende discipline is bij de deelnemers. Daarnaast werd het model niet geschikt bevonden voor universitaire studies, omdat een wetenschappelijke studie een andere insteek heeft dan bijvoorbeeld een HBO opleiding of het bedrijfsleven. Het wetenschappelijke karakter van de universiteit zou volgens velen niet passen bij het competentiegericht studeren. Volgens Simons een tekortkoming in het universitaire systeem.
Mijn mening is dat competentiegericht leren goed werkt in het bedrijfsleven en bij opleidingen die praktijkgericht zijn. Op de universiteit zou een soortgelijk systeem ook wel kunnen werken, echter denk ik dan meer aan een minder strak systeem. Het idee van vaardigheden opdoen tijdens de studie is zeer goed, alleen moet dit wel passen bij het wetenschappelijke karakter van de universiteit. Zo zou het een optie kunnen zijn om de studenten wat meer ‘vrij’ te laten dan bij het ’11-val stappen plan’ het geval is. Ik ben van mening dat het absoluut goed is om tijdens de studie bepaalde competenties te verwerven, alleen hoef je dit niet te overdrijven. Het is belangrijk dat het wel past bij het vakgebied waar de student voor wordt opgeleid. Tot slot wil ik graag nog even benadrukken dat het individueel beoordelen van studenten niet onderschat moet worden. Simons ziet het groepswerken als een zeer positief punt. Zelf heb ik echter op zowel het MBO als het HBO meerdere malen op een competentiegerichte wijze in groepjes moeten werken, waarbij het groepsresultaat voorop stond en ik weet uit ervaring dat dit niet de manier is om studenten individuele uitdaging te bieden.
Op dinsdag 2 oktober 2007 heeft Robert Jan Simons van het Ivlos, het expertisecentrum ICT van de Universiteit Utrecht een gastcollege gegeven. Nadat Simons zichzelf had voorgesteld begon hij met het uiteenzetten van de theorieën die ten grondslag liggen aan reflectiemethoden. Deze drie theorieën luiden als volgt: ten eerste het kritisch maatschappelijk perspectief, waarbij de Zuid-Amerikaanse pedagoog Freire en de Duitse filosoof en socioloog Habermas een belangrijke rol hebben gespeeld. Ten tweede de pragmatische benadering, welke tegenwoordig dominant is in het denken over reflectie, waarbij de Amerikaanse pedagoog Dewey en hoogleraar op het gebied van organisatiepsychologie Argyris een belangrijk aandeel hebben geleverd. Tot slot ging Simons in op de Kantiaanse benadering. Deze laatste benadering is van toepassing op Ivlos en is gebaseerd op het gedachtegoed van Kant en Procee. De relatie tussen de praktijk en de theorie staat hier centraal. Twee soorten modes die hierbij onderscheiden kunnen worden zijn: de ‘belief mode’, waarbij je jezelf de vraag stelt ‘wat is beter?’, ‘hoe kan het beter?’ en ‘wat zijn de voor,- en nadelen? en de ‘design mode’, waarbij de vraag ‘wat betekent het?’ centraal staat.
Na deze theoretische uiteenzetting stelde Simons zichzelf en ons de vraag: ‘Welke rol kan ICT spelen bij de vormen van reflectie?’. Als antwoord hierop presenteerde hij ons twee soorten reflectievormen; het ‘annotatiesysteem’ en ‘virtual action learning’ door middel van het ‘11-val stappen model’, bestaande uit: het competentieprofiel (1), leerarrangementen (2), het verzamelen van informatie (3), het maken van leerproducten (4), de voortgangsbespreking (5), het geven van verbeteringssuggesties op VLC (6), campfire stories (7), het verbeteren van producten in de portfolio (8), de redactie (9), het assessment (10) en de beoordeling (11).
Na de componenten van Judith Hertz te hebben onderstreept in het stappenmodel, poneerde Simons de volgende stelling: ‘Studenten van nu zijn de kenniswerkers van morgen & moeten de competenties van de kenniswerker al in het onderwijs verwerven’. Op deze stelling kwam een matige reactie. Er was een aantal mensen dat het niet eens was met deze stelling en een aantal mensen die vragen stelden over hoe Simons de kenniswerking in de praktijk voor zich zag. Er werd terecht opgemerkt dat een dergelijk systeem als het ’11-val stappen model’ alleen kan worden toegepast als er voldoende discipline is bij de deelnemers. Daarnaast werd het model niet geschikt bevonden voor universitaire studies, omdat een wetenschappelijke studie een andere insteek heeft dan bijvoorbeeld een HBO opleiding of het bedrijfsleven. Het wetenschappelijke karakter van de universiteit zou volgens velen niet passen bij het competentiegericht studeren. Volgens Simons een tekortkoming in het universitaire systeem.
Mijn mening is dat competentiegericht leren goed werkt in het bedrijfsleven en bij opleidingen die praktijkgericht zijn. Op de universiteit zou een soortgelijk systeem ook wel kunnen werken, echter denk ik dan meer aan een minder strak systeem. Het idee van vaardigheden opdoen tijdens de studie is zeer goed, alleen moet dit wel passen bij het wetenschappelijke karakter van de universiteit. Zo zou het een optie kunnen zijn om de studenten wat meer ‘vrij’ te laten dan bij het ’11-val stappen plan’ het geval is. Ik ben van mening dat het absoluut goed is om tijdens de studie bepaalde competenties te verwerven, alleen hoef je dit niet te overdrijven. Het is belangrijk dat het wel past bij het vakgebied waar de student voor wordt opgeleid. Tot slot wil ik graag nog even benadrukken dat het individueel beoordelen van studenten niet onderschat moet worden. Simons ziet het groepswerken als een zeer positief punt. Zelf heb ik echter op zowel het MBO als het HBO meerdere malen op een competentiegerichte wijze in groepjes moeten werken, waarbij het groepsresultaat voorop stond en ik weet uit ervaring dat dit niet de manier is om studenten individuele uitdaging te bieden.
De visie van Simons op de rol die een game kan spelen binnen de studie, vertoont overeenkomsten met de visie van John Huizinga. Hij ziet de game als een essentiële, centrale factor in onze samenleving. Zowel Simons, als Huizinga zien in de game een medium dat problemen in de samenleving kan oplossen en een centrale positie kan innemen. Eén van de centrale discussies die Lister et al. in hun boek 'New Media a critical introduction' beschrijven is het debat omtrent de rol van de game in de samenleving. Volgens de schrijvers kan gaming een belangrijke rol spelen bij het leerproces. Deze visie sluit aan op de positie die Simons aanneemt in deze kwestie.
Bronnen:
- Herz, Judith. “Gaming the System. What Higher Education Can Learn from Multiplayer Online Worlds.” The Internet and the University, Forum (2001): 169-191. http:// www .educause.edu /ir / library/pdf/ffpiu019.pdf
- Lister, Martin, et. al. New media: A critical introduction. Londen: Routledge, 2003, pp. 260-279.
- Raessens, Joost. “Computer games as participatory media culture”, 373-388

Geen opmerkingen:
Een reactie posten